De waardevolle werkomgeving: tussen efficiëntie en effectiviteit
Op maandag 2 februari 2026 organiseerde CFPB de jaarlijkse IMPULS-bijeenkomst voor strategische keuzes in de (hybride) werkomgeving. Bestuurders, directeuren en strategisch adviseurs uit bedrijfsvoering, HR, facilitair, vastgoed en IT kwamen bijeen in het LEF Future Center van Rijkswaterstaat in Utrecht. Centraal stond één urgente vraag: wat maakt een werkomgeving waardevol in een tijd van hybride werken en bezuinigingen?
Al 25 jaar onderzoekt CFPB de relatie tussen mens, werk en werkomgeving binnen de publieke sector. Vanuit het collectieve onderzoeksprogramma Werk in Transitie (WiT) brengt CFPB wetenschappelijke inzichten en praktijk samen. Tijdens IMPULS 2026 werd duidelijk: hybride werken is inmiddels de standaard, maar de manier waarop we werk organiseren is nog volop in beweging.
Hybride werken is geen mix, maar een nieuw werkmodel
CFPB-directeur Jacqueline Schlangen trapte de bijeenkomst af met een reflectie op hybride werken. Hybride werken is niet simpelweg een combinatie van thuiswerken en kantoorwerken. Het is een fundamenteel nieuwe manier van werken, met andere dynamieken, andere werkpatronen en andere eisen aan de werkomgeving.
Waar voorheen de discussie vaak bleef steken op de vraag “hoeveel dagen werken we op kantoor?”, laat onderzoek zien dat dit een te beperkte benadering is. De plek waar medewerkers werken is zichtbaar en meetbaar, maar zegt weinig over de kwaliteit van werk, samenwerking en prestaties.
Hybride werken vraagt daarom om meer dan afspraken over aanwezigheid. Het vraagt om een andere kijk op werk, leiderschap en werkomgeving.
Efficiëntie versus effectiviteit: een valse tegenstelling
In tijden van bezuinigingen komt de werkomgeving vaak als eerste in beeld. Minder vierkante meters, lagere flexfactoren (gemiddeld aantal werkplekken per medewerker), scherpere keuzes. Maar wat betekenen die keuzes voor de productiviteit van organisaties?
Jacqueline maakte een belangrijk onderscheid tussen efficiëntie en effectiviteit.
Efficiëntie gaat over het slim inzetten van middelen binnen de bedrijfsvoering.
Effectiviteit gaat over het primaire proces: stellen we mensen daadwerkelijk in staat om hun werk goed te doen?
De kernvraag voor CFPB is dan ook: kunnen we bezuinigen op de werkomgeving zonder negatieve impact op productiviteit. Of zelfs met een positieve impact?
Case study: Rijkskantoor De Knoop
CFPB deed onderzoek in rijkskantoor De Knoop in Utrecht. In 2025 werd daar de flexfactor verlaagd van 0,7 naar 0,5, zonder aanpassingen aan het gebouw. Door een langdurige kennissamenwerking vanaf 2003 deed CFPB in 2018 ook al onderzoek op deze locatie. Hierdoor is een directe vergelijking mogelijk.
De resultaten zijn opvallend:
-
Ondanks de verlaging van de flexfactor was de bezetting in 2025 lager dan in 2018, ook tijdens piekmomenten.
-
Tussen 2018 en 2025 is de werkomgeving niet ingrijpend gewijzigd. Toch is de tevredenheid over fysieke aspecten in de werkomgeving toegenomen.
-
Medewerkers gingen niet méér thuiswerken na de verlaging van de flexfactor blijkt uit een vergelijking van bezetting tussen 2022 en 2025..
De conclusie: een flexfactor van 0,5 kan, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan:
-
Een goede mix en diversiteit van werkplekken (fysiek): zodat verschillende activiteiten dichtbij collega’s kunnen plaatsvinden.
-
Een goed begeleide implementatie (sociaal): met aandacht voor communicatie, leiderschap en betrokkenheid van medewerkers.
De werkomgeving blijkt daarmee niet alleen een fysieke, maar vooral ook een sociale en organisatorische opgave.
Werken op derde plekken: wat betekent dat voor prestaties?
Beïnvloedt werken op zogeheten ‘third places’– de (team)prestaties?
In 2025 deed Thomas Vogl samen met Monique Arkesteijn (TU Delft), Rianne Appel-Meulenbroek (TU Eindhoven) en Dennis La Brijn (CFPB) ondezoek naar effect van werken op andere locaties dan thuis of kantoor, zoals rijksontmoetingspleinen of coworking-achtige omgevingen. Monique presenteerde de resultaten tijdens de IMPULS-bijeenkomst.
Op basis van WiT-data van duizenden medewerkers laat het onderzoek zien dat werken op derde plekken:
-
Minimale effecten heeft: individuele en teamprestaties worden niet aanzienlijk belemmerd of verbeterd.
-
Vaker wordt gedaan door mannen, jongere medewerkers en iets hoger opgeleiden. Zij werken gemiddeld meer uren per week, hebben kortere dienstverbanden en langere reistijden.
-
Samenhangt met meer ervaren flexibiliteit in locatiekeuze, meer samenwerking met anderen en andere werkpatronen.
De belangrijkste boodschap: derde plekken zijn een volwaardig onderdeel van het hybride werklandschap, maar vragen om bewuste keuzes in beleid en inrichting.
De impactvolle werkomgeving in de praktijk: Rijkswaterstaat
Vanuit de praktijk liet Ben Huijskes (Rijkswaterstaat) zien hoe Rijkswaterstaat (RWS) de werkomgeving benadert als een strategisch HR-instrument. Medewerkers van RWS werken gemiddeld op meerdere locaties per week: op kantoor, thuis en op projectlocaties. Dat vraagt om werkplekken die flexibel zijn, herkenbaar aanvoelen en ontmoeting stimuleren.
Met het programma Hybricks experimenteert RWS met kleinschalige, modulaire aanpassing aanpassingen in bestaande inrichtingen. Door te testen, meten en bijstellen ontstaat een werkomgeving die beter aansluit bij het werk dat mensen daadwerkelijk doen. (CFPB-) Onderzoek laat zien dat goed ingerichte omgevingen hogere bezetting aankunnen zonder verlies aan tevredenheid of productiviteit.
RWS daagt bovendien marktpartijen uit om verder te kijken dan meubels alleen. De werkomgeving moet bijdragen aan:
- efficiënt werken
- vitaliteit en welzijn
- aantrekkelijk werkgeverschap
De werkplek is daarmee geen facilitaire bijzaak, maar een strategische randvoorwaarde voor organisatieontwikkeling.
Meer artikelen
Naar artikelen overzicht Naar thema “Het kantoor” Naar thema “De organisatie van werk”