Home Actueel Fysiek en digitaal samenwerken: hoe vind je de juiste balans?

Kennisnetwerk
Gijs Brouwers

Fysiek en digitaal samenwerken: hoe vind je de juiste balans?

De plaats van werk Het kantoor De organisatie van werk 8 minuten leestijd

Tijdens de tweede kenniskring van het onderzoeksprogramma Werk in Transitie (WiT) in 2026 stond samenwerken centraal. En dan met name de vraag hoe je dat het best kunt faciliteren in een hybride werkomgeving. We kwamen samen bij FM Haaglanden in Den Haag voor een ochtend van delen van inzichten uit onderzoek- en praktijk. Want hoe combineer je fysiek en digitaal werken op een manier die echt werkt voor je organisatie? 

 

Onderzoek naar hybride samenwerken 

Onderzoeker Gijs Brouwers presenteerde de uitkomsten van een literatuurstudie naar het effect van hybride werken op de kwaliteit van samenwerken. De centrale vraag: schaadt meer digitaal werken onze organisatorische effectiviteit, of kan de combinatie van fysiek en digitaal juist het beste van twee werelden bieden? 

Het vertrekpunt was een klassiek inzicht uit de organisatiewetenschap: organisaties bestaan omdat mensen gezamenlijk doelen kunnen bereiken die ze individueel niet kunnen bereiken. Samenwerken is daarmee geen bijzaak, maar de kern. Dat schept ook een primaire verantwoordelijkheid voor organisaties: de voorwaarden scheppen zodat medewerkers goed kunnen samenwerken: sociaal, fysiek én digitaal. 

Drie vormen van samenwerken kwamen in het onderzoek naar voren: intensieve interacties (overleggen, brainstormen, actief samenwerken), korte interacties (spontane of geplande gesprekken waarbij informatie wordt uitgewisseld) en individueel werken als onderdeel van een groter samenwerkingsverband. Voor elk van die vormen gelden andere behoeften en andere optimale omgevingen. 

Download de CFPB publicatie 'Fysiek of digitaal?' op de CFPB-kennisbank

Drie essentiële condities 

Het onderzoek identificeert drie voorwaarden voor goed samenwerken. De eerste is bewustzijn van de werkcontext: weten wat er speelt, wie waarmee bezig is, welke signalen er in de organisatie circuleren. Op kantoor krijg je dat grotendeels vanzelf mee. In een hybride situatie verdwijnt die passieve informatievoorziening en moet je het actief organiseren via gedeelde agendas, projectplatforms, activity feeds en een open kantoorinrichting. 

De tweede voorwaarde is toegang tot relevante informatie. Hoe meer mensen thuiswerken, hoe afhankelijker ze worden van de digitale informatiestructuur. Een goede zoekfunctie, gedeelde opslag en digitale hygiëne zijn geen luxe, maar randvoorwaarden. 

De derde voorwaarde is goede werkrelaties. Werkrelaties vormen het sociale weefsel van een organisatie. Ze bepalen niet alleen hoe informatie stroomt, maar ook hoe mensen naar hun werk en hun organisatie kijken. Relaties onderhouden lukt nog aardig op afstand, maar nieuwe relaties opbouwen is digitaal structureel moeilijker. Het risico: het kennisnetwerk binnen een organisatie verstart. 

Hoe zijn werkrelaties veranderd na corona? 

Gijs legde de zaal een intermezzo-vraag voor: hoe hebben deelnemers de verandering in werkrelaties ervaren? Niemand zei dat de relaties verbeterd zijn. Een deel ervoer duidelijke verslechtering: met name het onbedoelde contact viel weg. Wie vroeger collega's tegenkwam op de gang of afdeling, loopt ze nu nooit meer tegen het lijf. "Ik kom daar geen enkel mens meer tegen waarvan ik denk: oh, die ook hier? En wat doe je dan?" Het actief onderhouden van relaties kost nu bewust energie waar dat vroeger vanzelf ging. 

Anderen kozen voor 'anders': niet slechter, maar wel fundamenteel veranderd. Digitale tools hebben in sommige gevallen juist nieuwe verbindingen mogelijk gemaakt: met collega's in andere steden, of met mensen die voorheen achter een andere deur zaten. De drempel voor samenwerking met Groningen is lager dan ooit. Maar de vanzelfsprekendheid van bijvangst - het terloops oppikken van wat er speelt - is verdwenen. 

De discussie maakte ook duidelijk dat dit niet uitsluitend een kwestie is van aanwezigheidsfrequentie. Al voor corona gingen open kantoortuinen gepaard met de illusie van ontmoeting zonder het feitelijke contact. Cultuur, leiderschap en bewuste rituelen maken het verschil, niet de vierkante meters. 

Wanneer kies je voor fysiek, wanneer voor digitaal? 

Een kernboodschap uit het onderzoek is dat je bewust moet kiezen welk communicatiemedium past bij welke taak. Niet elk overleg vraagt om een vergaderzaal, en niet elk gesprek is gebaat bij een beeldscherm. De literatuur is op dit punt opvallend eensgezind: match het medium met de taakcomplexiteit. 

Eenvoudige informatieoverdracht? Bellen of een berichtje volstaat. Ideeën uitwisselen, besluiten nemen of feedback geven? Dan is het prettig om elkaars gezichtsuitdrukking te zien, videobellen of telepresence bieden dat gedeeltelijk. Conflicten oplossen of relaties bouwen? Dat vraagt om fysiek contact. Een schema uit 1998 van Reichwald bleek nog verrassend actueel: buiten de band gaan - een te rijk medium kiezen voor een simpele taak, of juist een te sober medium voor iets complexs - leidt tot inefficiëntie of miscommunicatie. Wie een conflict probeert op te lossen via een appje kent het resultaat. 

Voor de praktijk betekent dit: organisaties en teams doen er goed aan om afspraken te maken over wanneer welk medium wordt ingezet. Niet als bureaucratische regel, maar als gedeeld kompas. 

 

Informele ontmoetingen: het hardnekkige gemis 

Een van de meest besproken thema's was de korte, ongeplande interactie: het gesprekje bij de koffieautomaat, de terloopse opmerking op de gang. Dit soort contact is niet alleen sociaal plezierig, maar ook functioneel: het voedt bewustzijn, bouwt vertrouwen en genereert ideeën die in een gepland overleg nooit boven komen drijven. 

Digitale alternatieven bestaan, maar werken anders. Het aantal chatberichten en e-mails stijgt naarmate het informele contact op kantoor afneemt: een directe compensatie. Chatberichten hebben bovendien voordelen die het spontane gesprek niet heeft: ze zijn asynchroon, breed toegankelijk, doorstuurbaar en terug te lezen. Maar ze missen rijkheid. En ze kunnen bij verkeerd gebruik juist zorgen voor informatieoverload. 

Kantoorinrichting speelt hier een rol die onderschat wordt. Compacte plattegronden, zichtlijnen, koffiehoeken en onbedoelde ontmoetingsplekken (bij een koelkast, een snoeppot, een trap) stimuleren spontaan contact. Internationaal onderzoek laat zelfs zien dat een digitaal koffiemoment met een senior manager het functioneren van stagiairs meetbaar verbetert en dat een scherm in een koffiecorner tussen geïsoleerde teams het contact op gang kan brengen. 

SSC-ICT: facilitator van hybride werken 

Na de pauze namen drie sprekers van SSC-ICT (Werner Kempers, Geert Vuijk en Paul Logister) het woord. Zij lichtten toe hoe de organisatie (als ICT-dienstverlener voor negen ministeries, actief op zo'n 300 locaties en verantwoordelijk voor de digitale werkomgeving van 59.000 gebruikers) het hybride werken van rijksambtenaren ondersteunt. 

De presentaties raakten aan drie niveaus: de pandgebonden ICT-voorzieningen (videoconferencing, AV, digitale bewegwijzering), de digitale werkomgeving voor de individuele medewerker (DWR 2.0), en de strategische koers voor de komende jaren. 

Opvallend was de openheid over wat er nog niet kan. Veel technologische mogelijkheden (live ondertiteling, persoonsherkenning, automatisch verwerken van no-shows, digitale routebegeleiding door panden) zijn juridisch of beleidsmatig niet toegestaan, omdat ze data genereren die herleidbaar is naar personen. De 'one button to push' (waarbij je een vergaderzaal binnenloopt en de meeting automatisch start) bestaat al jaren bij leveranciers als Webex, maar is rijksbreed nog niet uitgerold. Dat wringt, want het zou de drempel voor hybride vergaderen aanzienlijk verlagen. 

Een andere prominente lijn was de verschuiving op het gebied van digitale autonomie. De afhankelijkheid van Amerikaanse cloudleveranciers als Microsoft wordt in de huidige geopolitieke context steeds nadrukkelijker gevoeld. SSC-ICT heeft de verdere uitrol van Microsoft Teams als samenwerkingstool on hold gezet en werkt samen met DICTU en DUO aan een alternatieve, soevereine digitale werkomgeving. Tegelijkertijd staat de uitrol van Vlam AI voor de deur: een overheidseigen LLM dat AI-toepassingen beschikbaar maakt in een gesloten, privacyveilige omgeving. 

Workshop: wat werkt, wat ontbreekt, wie pakt het op? 

In de workshop gingen deelnemers - afkomstig uit HR, ICT, FM en vastgoed - in groepen aan de slag met de drie condities en drie vormen van samenwerken uit het onderzoek. Per groep werd besproken wat er al aanwezig is, wat er nog ontbreekt en wie actie moet ondernemen. 

Uit de terugkoppeling kwamen herkenbare patronen naar voren. Over bewustzijn van de werkcontext: de middelen zijn er soms wel, maar worden niet consequent gebruikt. Ambitie omzetten in actie vraagt sturing. Informele informatievoorziening (zoals een digitale zuil met organisatiebreed nieuws) werd genoemd als kans die nog onbenut is. 

Over werkrelaties: het vieren van mijlpalen gebeurt te weinig, terwijl dat de verbinding versterkt. De identiteit van de werkomgeving (het gevoel ergens bij te horen) is bij activiteitsgericht werken een structureel aandachtspunt. Geld en standaardisering zijn de grootste drempels voor verbetering. 

Over het gebruik van tools voor korte interactie: er is veel beschikbaar, maar weinig bekend of eenduidig ingezet. Digicoaches bestaan, maar zijn nauwelijks zichtbaar. De vraag 'wat doen we wel en niet in een groepsapp?' is in de meeste teams nooit gesteld. Leiders en HR worden als eerste aangesproken voor actie, maar de verantwoordelijkheid ligt nadrukkelijk collectief. 

Een terugkerend inzicht over alle groepen heen: de kosten van goede faciliteiten liggen bij het ene onderdeel, de baten bij het andere. Dat maakt een integrale businesscase - en daarmee ook integrale samenwerking tussen FM, HR en ICT - niet alleen wenselijk maar noodzakelijk. 

Conclusie 

De Kenniskring bevestigde dat hybride werken inmiddels een transitiefase is, maar dat we er nog lang niet uit zijn. De combinatie van fysiek en digitaal werken biedt meer dan een keuze voor één van beide, maar alleen als je bewust kiest, afspraken maakt en de organisatie actief inricht op die combinatie. 

De meest gestelde vraag tijdens hybride werken - "hoe vaak moet je naar kantoor?" - is minder relevant dan de vragen die er echt toe doen: hoe werken we samen? Welke tools gebruiken we waarvoor? Ondersteunt het kantoor daadwerkelijk samenwerking? Hebben medewerkers digitaal toegang tot de informatie die ze nodig hebben? En geven leidinggevenden de richting die mensen nodig hebben om die vragen te beantwoorden? 

Dat zijn de vragen die een volwassen hybride praktijk kenmerken. Ze vragen om voortdurende afstemming, binnen teams, tussen disciplines en op alle lagen van de organisatie. 

De Kenniskring maakt deel uit van het collectieve kennisprogramma Werk in Transitie, dat sinds 2022 loopt en wordt gedragen door onder meer de Rijksoverheid, TU Delft en Politie. Binnen dit programma wordt onderzocht wat er verandert in werk en werkomgeving, en wat daarvan de effecten zijn. Heb je vragen of wil je als vriend of partner aansluiten bij een volgende Kenniskring? Neem contact op met Gijs Brouwers

 

 

Dit artikel is geschreven door

Gijs Brouwers

Gijs Brouwers is onderzoeker

Meer over de auteur

Meer artikelen

Naar artikelen overzicht Naar thema “De plaats van werk” Naar thema “Het kantoor” Naar thema “De organisatie van werk”