Center for People and Buildings

U bent hier: >>>Binnenklimaat, niet snel goed

Binnenklimaat, niet snel goed

20 oktober 2011

Binnenklimaat, niet snel goed

Het is belangrijk dat mensen zich comfortabel voelen op het werk. Een werkgever is daar mede voor verantwoordelijk en kan ervoor zorgen dat de juiste randvoorwaarden  aanwezig zijn op kantoor. Een slecht binnenklimaat kan zorgen voor acute of langdurige gezondheidsklachten en kan een negatieve invloed hebben op productiviteit (e.g. Lan et al., 2010; Niemela et al., 2002). Medewerkers zelf vinden binnenklimaat ook van  belang. Ruim een kwart van de mensen noemt het zelfs als een van de belangrijkste aspecten van de werkomgeving. Het binnenklimaat blijkt een dissatisfier te zijn: hoe meer tevreden mensen zijn over het binnenklimaat, hoe minder belangrijk men het vindt.

Interessante feiten over de beleving van het binnenklimaat vanuit de WODI onderzoeksdatabase:

  • Liefst 42% van de medewerkers is ontevreden over het binnenklimaat van een gebouw. Daar staat  een groep van gemiddeld 35% tegenover die juist tevreden is met het binnenklimaat. Niet iedereen heeft dus dezelfde voorkeur!
  • De WODI onderzoeksdatabase toont dat het wel degelijk mogelijk is om bijna iedereen tevreden te stellen met het binnenklimaat. In het gebouw dat het beste scoort op binnenklimaat, is maar liefst 78% tevreden! Echter,  de tevredenheidsscores kunnen per gebouw erg verschillen. Zo is er ook een gebouw waar bijna niemand tevreden is (4%).
  • Uit interviews blijken een te lage of te hoge temperatuur vaak voor onvrede te zorgen over het binnenklimaat. Daarnaast worden de aanwezigheid van een luchtstroom, tocht en slechte luchtkwaliteit vaak genoemd als oorzaken voor ontevredenheid.
  • Men vindt het erg prettig om zelf invloed te kunnen hebben op het klimaat, bijvoorbeeld door zelf de temperatuur te kunnen reguleren of een raam open te kunnen zetten. Het mogelijk maken hiervan heeft wel invloed op het energiegebruik en vergt geavanceerde klimaatbeheersingsinstallaties uit oogpunt van duurzaamheid.
  • Het referentiekader van de medewerkers kan de beleving sterk beïnvloeden. Uit interviews blijkt dat het binnenklimaat vaak beter wordt gewaardeerd als medewerkers voorheen in een gebouw werkten waar het binnenklimaat te wensen overliet.

Hoe het binnenklimaat te verbeteren?

In literatuur worden onder andere de volgende aanbevelingen gedaan (Choi*, 2009):

  • Zorg voor veel werkplekken in de gevelzone, hier  wordt het binnenmilieu significant beter gewaardeerd . Een bijkomend voordeel is dat er meer natuurlijke licht valt op de  bureaus.
  • Maak persoonlijke luchttoevoer en persoonlijke beïnvloeding van het binnenmilieu mogelijk. Heb daarbij oog voor de extra eisen die dit stelt aan de klimaatbeheersing (toevoeging CfPB).
  • Natuurlijke ventilatie wordt beter gewaardeerd dan mechanische ventilatie
  • Besteed aandacht aan een goed thermisch comfort (o.a. met bouwfysische maatregelen in de gevel) en de lichtomstandigheden in de binnenzone van het gebouw
  • Volgens Leaman en Bunn* (2008) moeten de beïnvloedingsmogelijkheden gebruiksvriendelijk en begrijpelijk (liefst intuïtief) zijn voor gebruikers. Duidelijkheid over wat er precies beïnvloed kan worden en directe feedback na regeling (bv. rood of groen lampje) dragen bij tot gebruiksvriendelijkheid. Suggereer geen nauwkeurigheid die niet aanwezig is (bv. een thermostaatknop kan beter een schaalverdeling van -3 tot +3 hebben dan van 20 tot 26°C).

Tijdens de Van Rood naar Groen bijeenkomsten zijn nog veel meer interventiemogelijkheden naar voren gekomen om de beleving te verbeteren. De interventies variëren van aard en liggen op het gebied van de organisatie, gedrag en regels, faciliteiten, het gebouw en ICT.

Bronnen

  • Lan, L., Lian, Z. & Pan, L. (2010). The effects of air temperature on office workers’ well-being, workload and productivity-evaluated with subjective ratings. Applied ergonomics, in press.
  • Niemela, R., Hannula, M., Rautio, S., Reijula, K. & Railio, J. (2002). The effect of air temperature on labour productivity in call centres – a case study. Energy and Buildings, 34, 759 – 764.

    * Uit een rapport van onderzoekers/rapporteurs: ing. S.R. Kurvers, drs. J.L. Leijten, ir. E.E. Alders en ir. A.K. Raue 
       (TU-Delft, faculteit Bouwkunde, afdeling Bouwtechnologie, Sectie Klimaatontwerp).